![]() |
Feest op straat en overal vlaggen,
maar ik werd steeds weggestuurd,
dat gevoel, ik ben nergens welkom,
heeft mijn leven lang geduurd.
Heel vroeg kwamen ze vader halen,
ik was klein, wist niet waarom,
moeder stuurde ons weg omdat zij
't leven zo niet meer aan kon.
't Was nog vroeg, tante lag te slapen,
ik kon nog niet bij de bel,
'k voelde me alleen en verlaten,
m'n kleine broertje huilde snel.
Op school jarenlang uitgescholden,
niemand mocht met mij om gaan,
niemand kwam er op mijn verjaardag,
meester zal mij daag'lijks slaan.
Langzaam leerde ik te begrijpen
en te zwijgen, alle twee,
dat het kwam omdat onze vader
lid was van de NSB.
In de kerk sprak hij oprecht spijt uit
en hij toonde groot berouw,
heel alleen liepen wij op huis aan,
niemand die wat zeggen zou...
Bezwaard zat ik bij lotgenoten,
depressief en onbemind,
legde toen een foto op tafel,
iemand sprak: "onschuldig kind"
Eind'lijk voelde ik mij begrepen,
met het leed mij aangedaan,
want al was de oorlog verdwenen,
voor mij was hij door gegaan.