Jij zat stil in je stoel en zei geen woord.
Op alles wat ik zei, 't leek niet gehoord.
Zo zaten wij daar saam,
Soms noemde ik je naam.
Jouw geest vol duisternis
zat ik naast jou.
Na lange tijd zei jouw stem onverwacht:
"Nu moet je maar weggaan". Ik legde zacht
mijn handen op je arm,
wreef hem zo zachtjes warm.
Hoop dat je voelen zou
kontakt met jou.
O dierbaar mens, ik moet jou laten gaan.
Plots til je jouw hoofd op en kijkt me aan.
Eén moment helderheid,
jouw geest heel kort bevrijd,
zeg je: "een volgende keer
praten we weer".