Bombardement Bezuidenhout

kopplaat
image here
Helder weer en niet zo koud.
Wederom een nieuwe dag,
niet wetend wat die brengen mag.
Nauwelijks even over zeven
horen wij menig vliegtuig zweven.
Zij trekken verder, komen weer...
Een slag! De eerste bom valt neer.
Hier is geen tijd meer om te denken,
aan have en goed geen aandacht schenken.
Vluchten slechts alleen kan baten,
direct besluiten, alles achterlaten.
Zie hoe daar een huis reeds brandt,
neem de kinderen aan de hand.
Ieder rent nu door de straten,
vol van angst, men kan niet praten.
Velen spoeden zich naar een sloot,
verwachtend dat die dekking bood.
Plotseling wordt men op zijn vlucht
aangevallen uit de lucht.
Vreselijk dat zware ronken,
wij zijn reeds op den grond gezonken.
Wat iedereen het harte scheurt
is in zeer korten tijd gebeurd.
Een ramp is over ons gekomen
als men nimmer had vernomen.
Men ziet, kruipend naar de kant
't Bezuidenhoutkwartier in brand.
Hele straten weggemaaid,
weg en slootkant zijn bezaaid
met verminkten en verwonden.
Van alle kanten wordt hulp gezonden.
Wij horen vloeken, bidden, wanhoopskreten.
Het is om nooit meer te vergeten.
Velen zijn er overleden
al direct of naderhand.
Zij hebben hier hun strijd gestreden
voor ons dierbaar Vaderland.
Berust hierin, o mens, niet vragen
waarom; het antwoord weet van ons niet één.
Wij willen onze nood slechts klagen
in ons gebed tot God alleen.


Den Haag, 7 maart 1945
W.J. van Starrenburg

Meer gedichten